Handel Fenna

January 13, 2018 | Author: Anonymous | Category: Geschiedenis, European History, Europe (1815-1915), Industrial Revolution
Share Embed Donate


Short Description

Download Handel Fenna...

Description

Hand-out Handel tijdens de Industriële Revolutie. door Fenna Nienke Rianne De Industriële Revolutie was van ongeveer 1750 tot 1890. Het begon in Groot Brittannië (aka GB) in het midden van de 18e eeuw en in de 19e eeuw volgde de rest van Europa pas. GB had zo’n goed start omdat ze veel steenkool hadden en als enige erg sterk uit de Napoleonse oorlog gekomen waren. Het was een tijd van automatisering (mensen werden vervangen door machines) en veel verandering. We kijken vooral naar de handel in GB. Handelsproducten In de Industriële Revolutie veranderde de producten waarin werd gehandeld.  door de machines en fabrieken kon er sneller en gemakkelijker meer geproduceert worden waardoor de handel in eindproducten omhoog schoot.  hierdoor ging natuurlijk automatisch de handel in grondstoffen omhoog omdat de eindproducten wel ergens van gemaakt moeten worden.  GB importeerde eigenlijk alleen nog maar grondstoffen en maakte bijna alle eindproducten zelf.  GB exporteerde bijna alleen maar eindproducten en de brandstof steenkool.  Brandstoffen werden extreem populair omdat ze nodig waren in de fabrieken, industrieën en stoommachines. Veel handel dus in;  grondstoffen; graan, steen, erts etc.  onderdelen; verwerkte grondstoffen waar weer eindproducten van worden gemaakt.  eindproducten; wapens, katoen, alcoholische dranken etc.  brandstoffen; olie, steenkool, (nog maar zelden hout omdat de rest beter was) Handelsgebieden  Wereldhandel met Europa als centraal marktcentrum waar goederen opgeslagen, bewerkt en weer door vervoerd werden.  Overzeese handel was weer in groepen specialisten per land zoals voor de VOC.  Bij binnenlandse handel waren heel veel mensen betrokken. Er werd gehandeld op straat, winkels, pakhuizen etc.  Enorme groei in bevolking, economie en welvaart  grotere vraag naar producten  groter aanbod vanwege machines en fabrieken.  In de tweede helft van de 19de eeuw gingen de West-Europese landen en vooral Engeland daarom op zoek naar gebieden in Afrika en Azië die konden dienen als afzetgebied en de behoefte aan grondstoffen konden vervullen, want daar was een flink tekort aan. Die landen werden koloniën. Wat niet geproduceerd kon worden in eigen land kon makkelijk worden ingevoerd. Er kwam een markteconomie, een handel tussen verschillende landen en niet meer op de lokale markt. Een belangrijk afzetgebeid was het Brits-Indië. Hier werden goedkoop luxe producten vandaan gehaald.  Koloniën vormde een vaste inkomstenbron, zekerheid en welvaart.

Betaalmiddelen  Vooral muntgeld maar ook papiergeld werd steeds populairder.  Eind 18e eeuw was er een grote chaos in betaalmiddelen. Elk gebied had een eigen muntstelsel, een eigen geldsysteem, eigen maten en gewichten.  Met koloniën kon makkelijk gehandeld worden, zij hadden dezelfde munteenheid als het land waarbij de kolonie hoorde.  Buiten de koloniën ging handelen lastiger. Men moest met hun goud/zilver naar de bank om deze om te wisselen voor de munt van het land waar zij mee wilden handelen. Bankwezen  De eerste echte banken met een speciaal bank -en geldsysteem ontwikkelden zich.  Het middelpunt van de financiële instituten was de Bank of England. Zij leenden mensen niet alleen geld maar ook:  Kon men munten en goud wisselen tegen (brief)geld  Verstrekten ze leningen aan entrepreneurs (naar buiten gerichte ondernemers) om bedrijven op te richten  Bewaarden ze spaargeld van veel mensen  Kregen ze een monopolie op het verstrekken van geld en zo konden ze regelen hoeveel economische activiteit er plaatsvond. - Voor banken was het dan ook belangrijker om de economie op gang te houden dan winst te maken. Handelsverdragen  Het belangrijkste handelsverdrag in de industriële revolutie was De Vrijhandel.  Vrijhandel betekent dat er door de regering geen beperkingen aan de handel worden opgelegd, dus er zijn geen tarieven of maximale hoeveelheden die verhandeld mogen worden.  In 1846 ontstond deze vrijhandel vanuit GB. Belastingen  Geen belasting op handel vanwege De Vrijhandel.  Wel werd de inkomensbelasting ingevoerd. Deze belasting werd ingevoerd zodat de Staat voor inkomsten voor het land niet afhankelijk was van tarieven op bepaalde producten. Op het schaarse inkomen van veel mensen moest men dus ook nog belasting betalen.  Ook belastinggelden werden ingevoerd (een soort ‘rente’ die je betaalde bij de bank voor het lenen of bewaren van geld). Het bedrag rente wat je betaalde werd door de bank aan de staat gegeven om bijvoorbeeld machines aan te schaffen, die het uiteindelijk mogelijk maakten meer goederen te produceren wat weer meer geld opleverde en goederen minder duur maakte. Het geld was dus niet voor eigen belang voor de banken maar puur voor de staat.

Transport  

Centrum van ontwikkelingen tijdens de industriële revolutie  landen rond de Noordzee, vooral Groot Brittannië. Groot Brittannië: Domineerde in de handel Redelijk goedkope mogelijkheid voor transporteren van goederen, vanwege directe verbinding met de zee. Dit gebeurde met grote stoomschepen. In het binnenland zocht men ook naar een handige manier om zo groot mogelijke hoeveelheden goederen te vervoeren, want de productie groeide snel en wegen waren slecht. Karren met paarden waren niet goed en efficiënt genoeg meer voor de grote productie. Oplossing  kanalen waar trekschuiten (getrokken door paarden) door heen konden varen. Het gebruik van kanalen werd heel populair, maar productie werd nog steeds groter en groter net als de afzetmarkt. Er was dus behoefte aan een sneller en nog efficiënter transportmiddel.

 Daarom ontwierp George Stephenson een praktisch bruikbare stoomlocomotief. Zijn stoomlocomotief kon grote hoeveelheden goederen of grondstoffen goedkoop naar grote plaatsen brengen. Rond 1835 was het gebruik van de stoomlocomotief zo succesvol geworden dat kanalen nauwelijks meer gebruikt werden, en dat binnenlandse schepen alleen nog grote hoeveelheden van kleine waarden vervoerden, zoals erts en zand. De stoomlocomotief was sneller en zelfs goedkoper, want ook al kostte het vervaardigen van rails veel, de handel die nu sneller gevoerd kon worden bracht meer op.

View more...

Comments

Copyright � 2017 NANOPDF Inc.
SUPPORT NANOPDF