KLAS 3 VWO TIJDVAKKEN 5 t/m 10 – KENMERKENDE ASPECTEN

January 14, 2018 | Author: Anonymous | Category: Geschiedenis, European History, Europe (1815-1915), Industrial Revolution
Share Embed Donate


Short Description

Download KLAS 3 VWO TIJDVAKKEN 5 t/m 10 – KENMERKENDE ASPECTEN...

Description

KLAS 3 VWO TIJDVAKKEN 5 t/m 10 – KENMERKENDE ASPECTEN TOETSSTOF PERIODE 4

Tijdvak 5: Ontdekkers en hervormers Kenmerkende aspecten: - Het begin van de Europese overzeese expansie - Het veranderende mens- en wereldbeeld van de Renaissance en het begin van een wetenschappelijke belangstelling - De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid - De protestantse reformatie die splitsing van de Christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had - Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat Samenvattend a De wereld De Europese overzeese expansie begon in de 15e eeuw. Portugezen en Spanjaarden maakten ontdekkingsreizen naar Afrika, Azië en Amerika. In 1519 maakte Magelhaes de eerste reis om de wereld. Na de ontdekkers kwamen de veroveraars, op zoek naar goud en zilver, zoals de Spanjaarden die het Azteekse rijk (Mexico) en het Incarijk (Peru, Chili, Bolivia) veroverden. Vanaf 1555 namen Engeland en Frankrijk deel aan de Europese expansie. Europeanen stichtten in Afrika en Azië kleine handelskolonies. In Amerika ontstonden grote Europese vestigingskolonies, die vanuit Europa werden bestuurd (kolonialisme). Europese kolonisten in Amerika gebruikten vanaf 1526 indiaanse en Afrikaanse slaven in mijnen en op plantages, waardoor een enorme slavenhandel ontstond. b Europa De 16e eeuw was in Europa het begin van de Vroegmoderne tijd (1500-1800). Mensen luisterden toen minder naar de Kerk en gingen zelf van alles ontdekken en onderzoeken. Een voorbeeld hiervan was Leonardo da Vinci. Hij was een Italiaanse kunstenaar en ontdekker. Hij deed technische uitvindingen en medische ontdekkingen. Daarvan maakte hij tekeningen. De ontdekkingsreizen vergrootten de kennis van natuurkunde en aardrijkskunde. Omstreeks 1500 hoorden de meeste christenen bij de rooms-katholieke kerk. Ze luisterden naar de paus in Rome. In 1517 protesteerde Luther tegen de rijkdom en macht van de rooms-katholieke kerk. Kort daarna vond een splitsing in de kerk plaats. Luther en andere hervormers, zoals Calvijn, richtten eigen protestantse kerken op. Vooral in het noorden en westen van Europa kwamen veel protestanten. In de 16e eeuw breidde het Osmaanse rijk (hoofdstad Constantinopel, nu Istanbul) zijn macht uit tot in Hongarije, Irak en Algerije. In 1571 verloor de Osmaanse vloot de zeeslag bij Lepanto (West-Griekenland) van een vloot van Spanje, Venetië en de paus. Het oosten van de Middellandse Zee bleef onder heerschappij van moslims. In het westen van de Middellandse zee bleven de christenen de baas.

Omstreeks 1500 ontstond een Russisch koninkrijk rond de stad Moskou. De heersers in Rusland noemden zich tsaar. Een belangrijke tsaar was toen Iwan de Verschrikkelijke die vanaf 1547 aan de macht kwam. c Nederland In het begin van de 16e eeuw regeerde de Spaanse koning over een groot gebied. Ook Nederland had hij door een erfenis in bezit gekregen. Karel V was van 1511 tot 1555 koning van Spanje. Zijn zoon Filips II volgde hem op. Beiden zetten de centralisatie voort waar in Nederland de Bourgondische koningen waren begonnen. Dat leidde tot verzet van de adel en de burgerij. Zij wilden hun oude rechten behouden. Er kwam ook veel verzet tegen een vaste belasting voor het hele volk. Omstreeks 1550 werden steeds meer mensen in Nederland protestant. De rooms-katholieke Spaanse koning verbood toen het protestantisme in zijn rijk. Dit leidde mede tot het uitbreken van de Beeldenstorm. In 1566 raasde de Beeldenstorm door Nederland. Protestanten en armen vernielden kerken en kloosters. De edelen protesteerden tegen de beperking van hun macht en tegen de belastingen. Het werd het begin van de Opstand tegen de Spaanse koning. Leider van het verzet werd Willem van Oranje. Een belangrijk moment tijdens de opstand was de verovering van Den Briel door de watergeuzen in 1572. Daarna sloten meer steden zich bij de Opstand aan. De noordelijke gewesten maakten zich in 1588 los van de Spaanse koning. Zij waren nu een onafhankelijke Nederlandse staat zonder koning: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het zuiden van Nederland en België bleef trouw aan de Spaanse koning. Toch ging de strijd door. De Opstand ging over in een oorlog tussen de staten Spanje en Nederland. Pas in 1648 sloten Spanje en Nederland vrede. Vanaf 1578 bloeide de economie in Nederland op. De handel nam toe. Amsterdam werd een belangrijke multiculturele stad met migranten uit het zuiden van de Nederlanden (België), uit Portugal en uit Duitsland. Aan het eind van de 16e eeuw gingen Nederlanders op ontdekkingsreis. Vanuit Amsterdam vertrokken in 1595 voor het eerst Nederlandse schepen naar Indonesië. Dat was het begin van het Nederlandse aandeel in de Europese expansie.

Belangrijke begrippen Produceren = maken van goederen of leveren van diensten Humanisme = stroming die vanaf 1500 de klassieke filosofie, literatuur en kunst bestudeerde, met veel aandacht voor het individu Mentaliteit = manier van denken en voelen Renaissance = wedergeboorte van de klassieke cultuur Aflaat = tegen betaling door de kerk verstrekt papier waarmee alle zonden zijn vergeven Calvinisme = protestantse leer van Calvijn Hagenpreek = protestantse kerkdienst in de open lucht Katholiek = christelijke kerk waarover de paus de baas is Reformatie = kerkhervorming Kerkhervorming = hervorming in de 16e eeuw waarbij de protestanten zich afsplitsen van de christelijke kerk Beeldenstorm = 1566 vernielingen in katholieke kerken aangebracht tijdens onlusten Nederlandse opstand = 80-jarige oorlog (1668-1648) Landvoogd = plaatsvervanger van de vorst in de Nederlanden Soevereiniteit = hoogste macht in een staat Stadhouder = plaatsvervanger van de vorst in een gewest (vanaf 15821 in de Republiek der Nederlanden opperbevelhebber van het leger) Propaganda = ervoor zorgen dat iemand iets gaat denken Volkslied = lied dat namens een volk wordt gebruikt Ontdekkingsreis = zoektocht naar onbekend gebied of zoektocht naar een nieuwe zeeroute naar Azië Europese expansie = uitbreiding van Europese activiteiten buiten Europa vanaf 1500 Autochtoon = afkomstig uit het gebied zelf Allochtoon = afkomstig uit een ander gebied Driehoekshandel = handel tussen drie partijen (bv Europa, Afrika, Amerika) Kapitaal = groot bedrag aan geld Kolonialisme = overheersing van een kolonie door een moederland om er aan te verdienen Plantage Plantage = groot landbouwbedrijf met meestal maar één product Transatlantische slavenhandel = handel in en vervoer van slaven over de Atlantische Oceaan

Tijdvak 6: Regenten en vorsten Kenmerkende aspecten: - het sreven van vorsten naar absolute macht - de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek - wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie - de wetenschappelijke revolutie Samenvattend a De wereld In veel Indiase havenplaatsen mochten Engelsen, Nederlanders en Denen komen handelen. De Nederlanders vestigden in 1615 in Suratte een handelspost. Ze kochten er katoen en indigo uit het Indiase binnenland en verkochten suiker en specerijen uit Indonesië. In 1654 stichtte de VOC op de zuidpunt van Afrika Kaapstad, een verversingsstation voor de vaart op Azië. In die tijd ontstond een wereldeconomie met West-Europa als centrum. Azië produceerde specerijen, katoen, zijde, indigo en porselein. Amerika leverde zilver, goud, bont en plantageproducten voor de Europese markt, zoals suiker, koffie, cacao en tabak. Europa produceerde wapens, schepen, textiel en papier. Hiermee werden in Afrika slaven gekocht. b Europa In 1648 werd in Münster de vrede gesloten waardoor er een einde kwam aan verschillende godsdienstoorlogen in Europa. Ook de tachtigjarige oorlog van de Republiek tegen Spanje werd toen beëindigd. Koningen werden gezien als plaatsvervanger van God op aarde. De Franse koning Lodewijk XIV (1643-1715) streefde naar absolute, onbeperkte macht, zonder overleg met het parlement. Vanaf 1661 regeerde Lodewijk zijn gecentraliseerde staat met bekwame ambtenaren en een groot leger. Hij voerde verschillende oorlogen om de Rijn tot Franse grens te maken. In de 17e eeuw probeerden wetenschappers de onbekende dingen van de wereld te verklaren. Volgens de Franse filosoof Descartes (1596-1650) moesten wetenschappers aan alles twijfelen wat ze niet zeker wisten. Natuurkundigen deden onderzoek met nieuwe instrumenten. Ze voerden experimenten uit, verzamelden waargenomen feiten en leidden daar natuurwetten uit af. In 1666 ontdekte de Engelsman Newton de zwaartekracht. De rechten van protestanten waren in Frankrijk vastgelegd in een verdrag, het Edict van Nantes. Om de Franse eenheid te bevorderen bestreed Lodewijk XIV het protestantisme. In 1685 herriep hij het Edict van Nantes. Hierdoor vluchtten 50.000 protestanten onder meer naar Nederland. In Engeland streden koning en parlement in de 17e eeuw om de macht. In 1649 werd Karel I als gevolg van deze strijd onthoofd. In 1688 werd de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje koning van Engeland (tot 1702).

Hij moest toestaan dat de rechten van de volksvertegenwoordiging werden vastgelegd in een wet. De koning moest voortaan de volksvertegenwoordiging gehoorzamen. c Nederland In de Nederlandse Republiek waren de zeven gewesten erg onafhankelijk. Elk gewest werd bestuurd door een Statenvergadering van edelen en burgers. Voor gezamenlijke zaken, zoals het leger, kwamen de Gewestelijke Staten bijeen in de Staten-Generaal in Den Haag. Na de dood van Willem van Oranje (1584) werden prinsen uit het huis van Oranje benoemd tot legeraanvoerder met de titel stadhouder. Om ervoor te zorgen dat bedelaars en landlopers een ambacht leerden, werden vanaf 1600 tuchthuizen ingericht. In de praktijk bleef het bij het raspen van hout (in het Rasphuis voor mannen) of het spinnen van garen (in het Spinhuis voor vrouwen). De 17e eeuw was voor Nederland een 'gouden eeuw': een tijd van grote economische voorspoed. Nederlanders werden de 'vrachtvaarders van Europa'. Ze kochten bijvoorbeeld graan in het Oostzeegebied en verkochten het met grote winst in Italië. De Staten-Generaal gaf de VOC in 1602 het monopolie voor de handel in Azië (Oost-Indië). De WIC kreeg het monopolie in Amerika (West-Indië). De VOC was de eerste onderneming ter wereld waarbij het geld werd bijeengebracht door uitgifte van aandelen. Eén van de belangrijkste doelen van de WIC was het dwarszitten van Spanje. In 1628 veroverden Nederlanders onder leiding van Piet Heyn een Spaanse vloot met een grote lading zilver. Vanaf 1634 werden de Antillen (Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint Eustatius, Saba, de helft van Sint-Maarten) veroverd om er zout te halen. Later ontstond er slavenmarkten. In 1667 veroverden Nederlanders de Engelse kolonie Suriname. Bijna de helft van de Nederlandse bevolking woonde in snel groeiende steden. De regenten hadden grote invloed op het burgerlijk bestuur en de steden in Nederland. Ze besteedden een deel van hun rijkdom aan schilderijen, zoals De Nachtwacht (Rembrandt, 1642) waarop Amsterdamse regenten zich lieten afbeelden. Toch kwam er aan al deze voorspoed bijna een einde. In 1672 raakte Nederland in oorlog met Frankrijk en Engeland (Rampjaar). Lodewijk XIV probeerde Nederland te veroveren. De aanvallen over land en zee werden afgeslagen onder leiding van stadhouder Willem III en admiraal Michiel de Ruyter. In de jaren daarna was Nederland één van de machtigste landen van Europa. Belangrijke begrippen Absolutisme = regeringsvorm waarbij de macht van de vorst door niets wordt beperkt Minister = lid van de regering Oligarchie = regeringsvorm van een kleine groep belangrijke mensen Regent = bestuurder van de overheid Stadhouderloos tijdperk = tijd in de Nederlanden zonder stadhouder, bv: 1651 – 1672 Staten of Gewestelijke Staten = bestuur van een gewest (provincie) Engelse zeeoorlogen = oorlogen tussen Engeland en de Republiek op zee in de jaren 16521654, 1666-1667 en 1672-1674 Gouden eeuw = lange periode waarin het goed gaat met de economie Grachtengordel = uitbreiding van amsterdam in de jaren 1613-1615 met drie grachten in de vorm van een halve cirkel Handelskapitalisme = economisch systeem waarin kooplui die zich bezighouden met handel en nijverheid een deel van de winst weer in het eigen bedrijf investeren

Huursoldaat = soldaat die, tegen betaling, voor een ander land vecht Rampjaar = 1672, jaar waarin de Republiek werd aangevallen door Frankrijk, Engeland, Keulen en Münster Stapelmarkt = plaats waar goederen in pakhuizen werden opgeslagen en vandaar verder werden verkocht Vrede van Münster = einde van de Nederlandse Opstand in 1648 Batavia = belangrijkste plaats van de VOC op Java Concurrentie = onderlinge strijd Factorij = handelspost in het buitenland met kantoren, pakhuizen en vaak een fort Gouverneur-generaal = hoogste bestuurder Monopolie = alleenrecht Octrooi = door de overheid gegeven alleenrecht Specerij = plantaardige smaakstof zoals peper, kruidnagel en nootmuskaat Wereldeconomie = handel tussen de werelddelen op basis van vraag en aanbod VOC = Verenigde Oost-Indische Compagnie, handelsbedrijf actief in Azië van 1602 – 1799 WIC = West-Indische Compagnie, handelsbdrijf actief in Afrika en Amerika van 1621 - 1734 Gedogen = iets wat eigenlijk verboden was toch toestaan Gereformeerden = protestanten, Calvinisten Gewetensvrijheid = recht om eigen ideeën en een eigen geloof te hebben Pogrom = jodenhaat dat leidt tot vervolging Schutterij = soort politie dat in de stad de orde bewaakte Statenbijbel = Nederlandse bijbelvertaling in opdracht van de Staten-Generaal (1619-1637) Trekvaart = waterweg waar schepen door mensen of dieren worden voortgetrokken Academie = vereniging om samen aan wetenschap of kunst te doen Fluitschip = Nederlands zeeschip uit de 17e eeuw Natuurwet = beschrijving van een regelmatig natuurverschijnsel Wetenschappelijke revolutie = verandering in het denken over wetenschap waardoor kennis werd vergroot door systematisch onderzoek, waarneming en logisch denken in plaats van op basis van oude teksten

Tijdvak 7: Pruiken en revoluties Kenmerkende aspecten: - rationalisme  en  ‘verlicht  denken’  werden  toegepast  op  alle  terreinen  van  de  samenleving:   godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen - voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) - uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantage-koloniën en de daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme - de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap Samenvattend a De wereld In de 17e eeuw stichtte de VOC handelsposten langs de kusten van Zuid- en Oost-Azië. Het VOC-hoofdkwartier was de stad Batavia (Java). Vanaf omstreeks 1740 bestuurde de VOC een groot deel van Java, waar ze koffie, peper en indigo liet produceren. In het begin van de 18e eeuw waren aan de oostkust van Noord-Amerika dertien Britse koloniën gesticht. In 1776 kwamen deze dertien koloniën in opstand tegen Groot-Brittannië. Ze verklaarden zichzelf onafhankelijk en vormden de Verenigde Staten van Amerika (VS). In de onafhankelijkheidsoorlog (1776-1783) werden de Britten verslagen. Vanaf het begin van de 18e eeuw zetten Amerikanen en Britten zich in voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij. In 1787 maakte de Britse pottenbakker Wedgwood het symbool van het abolitionisme: een medaillon met een afbeelding van een slaaf en de tekst 'Am I not a man and a brother'? b Europa In 1700 leefden ongeveer 115 miljoen Europeanen in een landbouw-stedelijke samenleving. In de meeste landen bestond een grote afstand tussen het gewone volk en de edelen en rijke burgers, die pruiken droegen als symbool van hun rijkdom, aanzien en macht. De Russische tsaar Peter de Grote (1689-1725) stichtte (1703) in het westen van het land een nieuwe hoofdstad: Sint-Petersburg. Hij wilde de Europese invloed op Rusland vergroten. In 1697 had Peter een bezoek gebracht aan Londen, Zaandam en Amsterdam, waar hij een opleiding tot scheepsbouwer had gevolgd. De Franse verlichter Montesquieu schreef in 1748 een boek over drie soorten macht in een land. Die moesten niet in handen van één persoon liggen. Hij plaatste de uitvoerende macht in handen van de regering, de wetgevende macht in handen van het parlement en de rechterlijke macht in handen van onafhankelijke rechters. De grondrechten van burgers moesten in een grondwet worden vastgelegd. In de 18e eeuw hadden steeds meer Europeanen kritiek op de staat en de samenleving. Ze vonden dat er een eind moest komen aan de donkere tijd van de sociale ongelijkheid en de domheid van veel mensen. In deze periode van de Verlichting ontstond behoefte aan meer vrijheid, gelijke rechten voor alle mensen en verdraagzaamheid. In 1751 verscheen in Frankrijk de eerste Encyclopedie, waarin de samenstellers alle mogelijke nuttige kennis hadden verzameld.

In 1789 kwam het Franse volk in opstand tegen koning Lodewijk XVI en de adel. Er kwam een grondwet, waarin de macht van de koning werd beperkt. Toen fanatieke revolutionairen de macht in handen kregen werd Frankrijk een republiek (1792); de koning werd onthoofd onder de guillotine. Vanaf 1792 was Frankrijk in oorlog met Oostenrijk-Hongarije, Pruisen en Groot-Brittannië. In 1799 pleegde generaal Napoleon een staatsgreep. Hij werd alleenheerser en kroonde zichzelf in 1804 tot keizer. c Nederland In de 18e eeuw verloor Nederland zijn internationale macht. Met de handel en de nijverheid bleef het goed gaan, maar veel minder dan in de 17e eeuw. Wel groeide het verschil tussen de kleine groep rijken en de grote groep armen. Om kostbare oorlogen te betalen werden regelmatig zware belastingen geheven, die soms leidden tot beperkte volksopstanden. In 1781 schreef de edelman Joan Derk van der Capellen het pamflet 'Aan het volk van Nederland'. Hij schreef dat het beter was in de tijd van de Bataven, toen iedere vrije Bataaf zijn vrijheid met wapens kon verdedigen. Door dit pamflet gingen burgers zich bewapenen en hielden zij in steden militaire oefeningen. Ze wantrouwden de oude regenten en de prins en streefden naar grondrechten en politieke invloed. In 1787 verjoeg de koning van Pruisen de patriotten. Velen vluchtten naar Frankrijk. In 1795 bezetten Franse legers Nederland. Hierdoor konden de patriotten ook in Nederland een revolutie beginnen. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland. Nederlandse burgers vormden de Bataafse Republiek met een nieuw bestuur. Voor het eerst kwam er een door het volk gekozen volksvertegenwoordiging bijeen. Deze Nationale Vergadering maakte in 1798 de eerste grondwet van Nederland, waardoor het land een eenheidsstaat werd. Echter, onder de patriotten bestond zo veel onenigheid dat Napoleon besloot om zijn broer naar de Republiek te sturen en daar de macht over te nemen. Dat was het begin van het Koninkrijk Holland. Belangrijke begrippen Abolitionisme = beweging tot afschaffing van de slavernij Atheïsme = niet geloven in God Deïsme = geloven dat God de wereld heeft geschapen, maar zich er verder niet mee bemoeit Indirecte belastingen = belasting die je bijvoorbeeld betaald bij de aankoop van goederen Parlement = volksvertegenwoordiging / Staten Generaal Pruikentijd = 18e eeuw toen rijke en aanzienlijke mensen pruiken droegen Rationeel = met verstand Rechtsstaat = staat waarin iedereen zich aan de wet moet houden, inclusief de koning Standenmaatschappij = samenleving waarin de bevolking is verdeeld in standen Amerikaanse Revolutie = opstand van de 13 Britse koloniën in Noord-Amerika tegen GrootBrittannië, waarbij in 1776 de VS ontstond Dekolonisatie = koloniën worden onafhankelijk Democratische revolutie = politieke verandering waarbij een democratische grondwet wordt ingevoerd Federatie = verbond van staten die hun zelfstandigheid voor een groot deel behouden Grondrechten = belangrijkste rechten van het volk die in de grondwet zijn vastgelegd Tolerantie = verdraagzaamheid Verlichting = beweging van mensen die vinden dat alles met het verstand kan worden beredeneerd

Grondwet = wet waarin alle rechten en plichten van vorst en volk staan Algemeen mannenkiesrecht = kiesstelsel waarin alle mannen mogen stemmen Constitutionele monarchie = koninkrijk waarin de koning is gehouden aan de grondwet Franse Revolutie = democratische revolutie in Frankrijk (vanaf 1789) waardoor Frankrijk een constitutionele monarchie werd en daarna een republiek Gematigd = voorstander van beperkte veranderingen Radicaal = voorstander van vergaande veranderingen Girondijnen = naam van de gematigden tijdens de Franse Revolutie Jacobijnen = naam van de radicalen tijdens de Franse Revolutie Guillotine = valbijl Schrikbewind = regering die door staatsterreur de bevolking onder de duim houdt Terreur = geweld gebruiken om mensen angst aan te jagen Tribunaal = rechtbank voor bijzondere omstandigheden Bataafse Revolutie = democratische revolutie die leidde tot de Bataafse Republiek Decimale stelsel = tientalligstelsel zoals bij gewichten, geld en lengtematen Openbare scholen = scholen opgericht door de overheid Pamflet = vlugschrift Patriotten = mensen die van het vaderland houden en in de 18e eeuw voorstanders van een democratie in Nederland Vrijkorps = groep vrijwillige soldaten of burgers Excercitiegenootschap = vrijkorps Coalitie = samenwerking van verschillen groepen Code Civil = burgerlijk wetboek waarin Napoleon alle regels van de burgers liet vastleggen (code Napoléon) Dictator = alleenheerser Geallieerden = bondgenoten Propaganda = ideeën verspreiden om mensen te beïnvloeden Referendum = volksstemming Tsaar = keizer van Rusland

Tijdvak 8: Burgers en stoommachines Kenmerkende aspecten: - de industriële revolutie die in de westerse samenleving de basis legde voor een industriële samenleving - discussies  over  de  ‘sociale  kwestie’ - de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie - de opkomst van de emancipatiebewegingen - voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces - de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme Samenvattend a De wereld Omstreeks 1800 begon in Groot-Brittannië de industriële revolutie. In 1807 bouwde de Amerikaan Fulton de eerste stoomboot. Door technische uitvindingen werd er steeds meer geproduceerd in fabrieken met veel machines. Er ontstonden industriële samenlevingen, waarin meer dan de helft van de mensen in steden woonden. Dit gebeurde het eerst in Groot-Brittannië. Later in de 19e eeuw ook in andere delen van Europa, in de VS en in de 20e eeuw over de hele wereld. Na acties van abolitionisten werd in het Britse rijk in 1807 de slavenhandel en in 1832 de slavernij verboden. Andere landen volgden dit voorbeeld. In de Nederlandse koloniën werd de slavernij afgeschaft op 1 juli 1863, wat nog jaarlijks wordt herdacht als 'keti koti' (ontketeningsdag). Door de opening van het Suez-kanaal in 1869 ontstond een snellere verbinding tussen Europa, Oost-Afrika en Azië. Aan het eind van de 19e eeuw breidden Europese landen hun macht uit over bijna geheel Afrika en Zuid-Azië. Koloniën waren belangrijk voor de industrie. Veel Europeanen vonden de westerse cultuur de beste ter wereld. Sommige maakten onderscheid tussen verschillende 'mensenrassen'. Zij dachten dat het goed was als blanken leiding gaven aan de gekleurde volken. b Europa Napoleon was van 1799 tot 1814 alleenheerser over het Franse rijk. In het hele rijk voerde hij Franse wetten in, waarin veel ideeën van de Franse Revolutie waren verwerkt. In 1812 probeerde Napoleon Rusland te veroveren met een groot leger, la Grande Armée, maar dit mislukte. Vanaf 1813 werkten Rusland, Pruisen, Oostenrijk-Hongarije en Groot-Brittannië militair samen tegen Napoleon, waardoor het Franse rijk uiteenviel. In de slag bij Waterloo werd Napoleon definitief verslagen (1815). In 1848 gingen in veel Europese steden mensen de straat op om meer inspraak in het bestuur te eisen. In veel landen gaven machthebbers toe aan deze revoluties en kwamen er liberale grondwetten. Daarin werd de macht van de burgerij uitgebreid.

In de 19e eeuw werden belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen gedaan. In 1859 publiceerde de Brit Darwin zijn evolutietheorie over het ontstaan van de mens. In 1880 ontdekte de Fransman Pasteur hoe je bacteriën in voedsel door verhitting kunt doden. In 1895 ontdekte de Duitser Röntchen de naar hem genoemde stralen. Deze uitvindingen zorgden voor grote veranderingen in de gezondheidszorg. c Nederland Na de Franse tijd (1795-1813) ontstond het Koninkrijk der Nederlanden, een eenheidsstaat met een nieuwe grondwet en een koning uit het huis van Oranje-Nassau als staatshoofd. Koning Willem I (1813-1840) had veel macht. Vanaf 1815 maakte België deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. In 1830 kwamen Belgen in opstand tegen Willem I en ontstond het onafhankelijke België. Koning Willem II (1840-1849) stemde in met een toename van de volksinvloed. Hij werkte mee aan een ingrijpende wijziging van de grondwet, opgesteld door de liberaal Thorbecke (1848). Zo ontstond een (nog beperkte) parlementaire democratie. Het parlement kreeg veel macht; alle wetten moesten door het parlement worden goedgekeurd. Alleen de mannen van de rijke burgerij hadden kiesrecht. Toen Willem III (1849-1890) koning werd, was er in Nederland nog weinig industrie. Van de beroepsbevolking werkte 46 procent in de landbouw en visserij, 25 procent in de industrie en nijverheid en 29 procent in de dienstverlening en bij de overheid. Er was er veel armoede en een slechte volksgezondheid. Liefdadigheidsinstellingen zorgden voor armenzorg. Door de Armenwet (1854) begon de overheid met het geven van minimale hulp. In 1860 verscheen het boek Max Havelaar van Multatuli, als protest tegen de Nederlandse koloniale politiek, waarbij de bevolking van Indonesië werd uitgebuit. In die tijd verdiende Nederland veel geld in deze kolonie. Omstreeks 1880 ontstonden drie politieke stromingen, met verschillende meningen over de rol van de overheid. Liberalen uit de rijke burgerij wilden een kleine rol van de overheid in de samenleving. Socialisten kwamen op voor de arme arbeidersklasse en vonden dat de overheid veel moest ingrijpen. In 1878 werd de eerste politieke partij opgericht, de AntiRevolutionaire Partij. Het was een confessionele partij, die vond dat protestantse en katholieke scholen evenveel geld van de overheid moesten krijgen als openbare scholen. Belangrijke begrippen Dienstensector = deel van de economie dat niet valt onder landbouw, industrie en mijnbouw Energiebron = iets dat energie geeft zoals steenkool of olie Fabriek = gebouw waar machines producten maken Industrialisatie = uitbreiding van fabrieken en de komst van nieuwe fabrieken tijdens de industriële revolutie Industriële revolutie = grote verandering in de manier van werken, waarbij handenarbeid wordt vervangen door machines Industriële samenleving = samenleving waarin de industrie het belangrijkste deel van de economie is en de meeste mensen in de stad woont Kapitalisme = samenleving waarin de productiemiddelen in handen zijn van particulieren, met als doel het maken van winst Mechanisatie = vervangen van handenarbeid door machines Verstedelijking = groei van de stad Werkgever = iemand die anderen tegen betaling voor zich laat werken

Werknemer = iemand die in loondienst is bij een werkgever Kinderwet van Van Houten = 1874, wet die verbood dat kinderen jonger dan 12 jaar werkten Sociale kwestie = probleem van de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders tijdens de industriële revolutie Vakbond = organisatie die opkomt voor de de arbeiders en bv meer loon voor hen wil Eerste kamer = deel van de Staten-Generaal waarvan de 75 leden worden gekozen door de Provinciale Staten Feminisme = beweging die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen Kabinet = alle ministers Liberalisme = politieke beweging die streeft naar vrijheid Ministers = leden van de regering Parlementair stelsel = politiek systeem waarin het parlement de hoogste macht heeft en de regering alleen met toestemming van het parlement kan regeren Socialisme = politiekmaatschappelijke beweging die streeft naar meer gelijkheid Tweede kamer = deel van de Staten-Generaal waarvan de 150 leden door de Nederlandse burgers wordt gekozen Antirevolutionairen = protestanten in Nederland Bijzonder onderwijs = niet-openbaar onderwijs, bv: katholiek, protestant, islamitisch Bougeoisie = rijke burgerij Confessionalisme = politieke stroming die uitgaat van het geloof Conservatisme = streven om alles wat nu is, te behouden Emancipatie = streven naar gelijke rechten Klasse = bevolkingsgroep Marxisme = socialistsiche leer van Karl Marx Schoolstrijd = 1879-1917, strijd over het betalen van het bijzonder onderwijs door de overheid Sufragettes = strijdsters voor vrouwenkiesrecht Natie = volk Natiestaat = staat van één volk Oppositie = politieke partijen die tegen de regering zijn Veelvolkerenstaat = staat waarin meerdere volken leven Dilligence = geveerde, door paarden getrokken wagen Telegraaf = instrument waarmee berichten dmv morse worden overgebracht Archipel = eilandenrijk Conferentie = belangrijke vergadering Guerrilla = oorlog met kleine strijdgroepen die aanslagen plegen en schuilen onder de bevolking Modern imperialisme = Europese machtsuitbreiding in Azië en Afrika na 1870, waardoor grote koloniale rijken onstonden Protectoraat = land dat onafhankelijk is, maar eigenlijk door een ander land wordt bestuurd Frontier = grens Mestiezen = mensen met Europese en indiaanse voorouders Metropool = zeer grote stad Reservaat = beschermd woongebied Transcontinentaal = van het ene eind van het werelddeel naar het ander eind Autobiografie = beschrijving van je eigen leven

Tijdvak 9: Wereldoorlogen Kenmerkende aspecten: - de rol van moderne propaganda en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie - het in de praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme / nationaal-socialisme - de crisis van het wereldkapitalisme - het voeren van twee wereldoorlogen - racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden - de Duitse bezetting van Nederland - verwoestingen op ongekende schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij de oorlogvoering - vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme Samenvattend a De wereld In 1910 werd in Amerikaanse fabrieken voor het eerst 'aan de lopende band' gewerkt. Hierdoor werden meer producten voor lagere prijzen gemaakt. Veel Amerikanen konden nu bijvoorbeeld een T-Ford kopen. Rond 1910 was Europa verdeeld in twee blokken, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije tegenover de 'geallieerden': Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland en (vanaf 1917) de VS. Duitsland wilde een grotere invloed in Europa krijgen. In 1914 werd in Serajevo de troonsopvolger van Oostenrijk-Hongarije vermoord. Daardoor ontstond een kettingreactie. Alle landen steunden hun bondgenoten zodat er in korte tijd een wereldoorlog uitbrak. Er vielen totaal ongeveer 9 miljoen doden, waarvan 5 procent bestond uit burgers. De oorlog eindigde in 1918 doordat de geallieerden wonnen. Na een periode van economische bloei ontstond in oktober 1929 in de VS een economische crisis waarin veel landen werden meegesleept. De productie en consumptie namen af. Daardoor ontstond grote werkloosheid en armoede. In 1912 kwam de Brit Charlie Chaplin (1889-1982) in de VS wonen, waar hij zich ontwikkelde tot de beroemdste regisseur en filmster van zijn tijd. In tientallen films verwerkte hij de wereld waarin hij leefde, zoals de crisistijd in Modern Times (1936). In de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) vochten Duitsland, Italië en Japan met Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland en de VS. Na de aanval op de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor op Hawaï (1941) veroverde Japan een groot gebied in Azië, waaronder Indonesië. De oorlog eindigde met de Japanse overgave in augustus 1945, nadat de VS twee atoombommen op Hirosjima en Nagasaki hadden laten vallen. In de oorlog vielen totaal ongeveer 50 miljoen doden, waarvan 50 procent bestond uit burgers. In 1945 werden de Verenigde Naties opgericht om oorlog te voorkomen. De VN hielden zich met diverse zaken bezig, zoals gezondheidszorg. In 1948 werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opgesteld en door veel landen ondertekend.

b Europa In 1917 kwam na een volksopstand een eind aan de heerschappij van de Russische tsaren. Onder de naam Sovjetunie (SU) kreeg het land een communistische regering. De leiders Lenin en Stalin veranderden Rusland in een dictatuur, waarin iedereen geheel ondergeschikt was aan de staat. In 1919 werd de Eerste Wereldoorlog afgesloten met de Vrede van Versailles. Duitsland moest jarenlang schadevergoedingen betalen. Ook raakte Duitsland gebieden kwijt aan de nieuwe staat Polen. Er ontstonden meer nieuwe staten, zoals Finland, Oostenrijk en Hongarije. In 1933 won de NSDAP van Hitler de verkiezingen voor het Duitse parlement. Hij werd de regeringsleider van Duitsland. Veel mensen zagen in hem de sterke man die een eind kon maken aan de werkloosheid en die wraak zou nemen voor het Verdrag van Versailles. Hitler schafte de Duitse democratie af en bracht de racistische nazi-denkbeelden in de praktijk. 1939 begin Tweede Wereldoorlog In september 1939 begon de Tweede Wereldoorlog met de Duitse inval in Polen. Duitsland veroverde een groot deel van Europa, waar miljoenen joden, zigeuners, gehandicapten en politieke tegenstanders werden vermoord. Tussen 1943 en 1945 werd Duitsland verslagen door de geallieerden. In Europa eindigde de oorlog met de Duitse overgave op 8 mei 1945. c Nederland In 1900 bestond de Nederlandse samenleving uit een zeer kleine rijke toplaag, een kleine middenklasse en een grote arme benedenlaag. Het was heel moeilijk om hogerop te klimmen. Van de beroepsbevolking werkte 30 procent in de landbouw en visserij, 33 procent in de industrie en handnijverheid en 37 procent in de dienstverlening of voor de overheid. Bij de grondwetswijziging van 1917 kwam er algemeen kiesrecht voor mannen. Vanaf nu werden openbare en bijzondere scholen financieel gelijk behandeld. Twee jaar later kregen ook vrouwen kiesrecht. In 1929 werd Nederland meegesleept in de economische wereldcrisis. Op het dieptepunt (1936) waren er bijna 500.000 werklozen. Er was veel armoede. In deze periode ontstond de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Nederland werd door Duitsland bezet van 10 mei 1940 tot 5 mei 1945. Personen, bedrijven en goederen moesten meehelpen bij de Duitse oorlogvoering. In 1941 werden honderden Amsterdamse joden door de Duitsers opgepakt. Rond Amsterdam legden veel mensen uit protest het werk neer. De Duitsers onderdrukten deze staking met geweld. Daarop brak de Februaristaking uit. Nog enkele malen was er sprake van grootschalig verzet tegen de Duitsers. In 1944 was het zuidelijke deel van Nederland bevrijd waarna de opmars van de geallieerden stokte. De hongerwinter brak uit. In 1945 gaf Duitsland zich over. Belangrijke begrippen La Belle Époque = de mooie tijd, de laatste 25 jaar voor de Eerste Wereldoorlog Centralen = Duitsland, Dubbelmonarchie en hun bondgenoten Geallieerden = VS, Engeland, Frankrijk en hun bondgenoten Grote Oorlog = Eerste Wereldoorlog Loopgraaf = gang in de grond waarin soldaten beschremd zijn tegen de vijand Militarisme = verheerlijking van alles wat met het leger te maken heeft Mobilisatie = gevechtsklaar maken van het leger voor de oorlog Schlieffenplan = Duits strijdplan waarmee de Eerste Wereldoorlog begon

Tweefrontenoorlog = oorlog waar in twee gebieden tegelijkertijd wordt gevochten Wapenwedloop = strijd om de sterkste wapens te bezitten Bolsjewieken = communisten Bureaucratie = ambtenarij Communisten = mensen die een maatschappij nastreven zonder privébezit Doema = Russisch parlement Februari-revolutie = revolutie in Rusland dat een einde maakte aan het tsarenrijk Oktoberrevolutie = staatsgreep door de communisten in 1917 in Rusland Rode Leger = leger van de communisten in Rusland Sovjets = arbeiders- en slodatenraden die fabrieken en legereenheden besturen Sovjetunie = 1922, gestichte communistische staat Staatsgreep = plotselinge en geweldadige overnamen van het bestuur van een staat Witte leger = leger van de aanhangers van de tsaar Mandaadgebied = gebied dat in opdracht van de Volkenbond door een ander land wordt bestuurd Premier = minister-president Vrede van Versailles = 1919 vredesverdrag dat een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog Zelfbeschikkingsrecht = recht van volkeren op een eigen staat Deporteren = wegvoeren naar een ander gebied of strafkamp Neutraliteitspolitiek = politiek om geen keuze te maken tussen de strijdende partijen Op de bon = producten zijn alleen nog te krijgen in kleine hoeveelheden met behulp van een speciaal formulier Zwarte markt = verboden handel Appeasementpolitiek = politiek om, door toe te geven aan de eisen van Hitler, de vrede te bewaren Blitzkrieg = snelle beweeglijke oorlog Capitulatie = overgave Diplomatie = voeren van overleg tussen staten Lebensraum = gebieden in Oost-Europa  die  de  Nazi’s  claimden  om  te  kunnen  leven Vazalstaat = staat in diens van een andere staat Censuur = toezicht van de overheid op de media Collaboratie = samenwerken met de vijand Fout zijn in de oorlog = kiezen voor de vijand Gelijkschakeling = alle organisaties moeten de totalitaire overheid volgen Onderduiker = iemand die sizh schuihoudt, om te ontkomen aan bepaalde maatregelen Razzia = drijfjacht door politie of leger Rijkscommisaris = hoogte Duitse gezag tijdens de bezetting van Nederland (Seyss-Inquart) Antisemitisme = jodenhaat Jodenster = symbool van het jodendom dat de joden op hun kleding moesten dragen (davidsster) Endlösung = oplossing voor het jodenprobleem Genocide = volkerenmoord Holocaust = massale moord op de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog (shoah) SD = Sicherheitsdienst, onderafdeling van de SS SS = Schutzstaffel, partijleger van de NSDAP en verantwoordelijk voor het beheer van de concentratiekampen

Vernietigingskamp = concentratiekamp gemaakt om mensen te doden Dwangarbeid = werk dat mensen moeten verrichten onder dreiging van straf, tegen hun wil Kamikaze = Japanse zelfmoordpiloot Bevrijdingsdag = 5 mei, herdenking van de Duitse overgave in Nederland Dodenherdenking = 4 mei, herdenking van alle burgers en militairen van het koninkrijk die zijn omgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog en bij oorlogssituaties en vredesoperaties elders in de wereld Oorlogstribunaal = bijzondere rechtbank die oorlogsmisdadigers berecht Veiligheidsraad = belangrijkste organisatie van de VN Verenigde Naties = volkerenorganisatie opgericht in 1945 Vetorecht = ik verbied

Tijdvak 10:

Televisie en computer

Kenmerkende aspecten: - de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit vloeiende dreiging van een atoomoorlog - de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld - de eenwording van Europa - de  toenemende  westerse  welvaart  die  vanaf  de  jaren  ’60  van  de  20 e eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingen - de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen Samenvattend a De wereld De Koude Oorlog begon na de Tweede Wereldoorlog, toen Groot-Brittannië en Frankrijk veel macht verloren en de VS en Rusland overbleven als wereldmachten. In 1949 werd China een communistisch land. In 1950 ontstond een oorlog tussen het communistische Noord-Korea en het kapitalistische Zuid-Korea (1950-1953). De Korea-oorlog eindige door ingrijpen van de VN (met een groot Amerikaans leger). In 1954 brak een burgeroorlog uit in het kapitalistische Zuid-Vietnam. Met hulp van de VS probeerde Zuid-Vietnam de oorlog te winnen. De opstandelingen kregen stuen van NoordVietnam en zij op haar beurt weer van China en de Sovjet-Unie. Na de Amerikaanse terugtrekking veroverde Noord-Vietnam in 1975 Zuid-Vietnam, waardoor het land weer een eenheid werd. Tijdens de Koude Oorlog ontstond een wapenwedloop, waarbij de VS en de SU elkaar met grote hoeveelheden kernwapens bedreigden. In 1962 ontstond bijna een echte oorlog toen de VS ontdekten dat Rusland raketten plaatste op Cuba. Al in de jaren '50 werden in de VS computers gebruikt. Deze waren niet geschikt voor het grote publiek. Technologische ontwikkelingen maakten snellere en kleinere computers mogelijk. In 1981 ontwikkelde het Amerikaanse bedrijf IBM de eerste personal computer (pc). In het jarenlange conflict tussen Israël en de Palestijnen staan de VS aan de kant van Israël. In 1990 bezette de Iraakse leider Saddam Hoessein Koeweit. De Verenigde Naties (met een groot Amerikaans leger) greep militair in. Door deze conflicten ontstond onder een deel van de Arabieren een anti-Amerikaanse stemming. Op 11 september 2001 vernietigde een terreurgroep met gekaapte vliegtuigen het World Trade Centre in New York. b Europa Met de Amerikaanse Marshallhulp werd de economie in West-Europa vanaf 1947 weer opgebouwd. In Oost-Europa vestigden Rusland communistische dictaturen. In 1945 was ook Duitsland verdeeld. Russen bezetten het oostelijk deel. Amerikanen, Britten en Fransen bezetten het westelijk deel. In 1948 viel Duitsland uiteen in twee staten: West-Duitsland en Oost-Duitsland. Twee militaire bondgenootschappen kwamen tegenover elkaar te staan: de NAVO en het Warschau Pact (1955).

Na de Tweede Wereldoorlog werkten de oude vijanden Frankrijk en Duitsland samen. In 1957 begonnen zij met economische samenwerking, die uitgroeide tot de Europese Unie (EU). In 2002 begon de invoering van de euro als Europese munt. In 1961 liet de Oost-Duitse regering een muur bouwen, waarmee vrij verkeer tussen Oosten West-Berlijn onmogelijk werd. De grens tussen de landen van Oost en West werd met een IJzeren Gordijn afgesloten. In 1972 verscheen het boek De grenzen aan de groei van de Club van Rome. Daarin waarschuwden wetenschappers voor de nadelen van de economische groei voor het milieu. Hierdoor begonnen mensen zich milieubewuster te gedragen. Vanaf 1985 gaf de Russische leider Gorbatsjov de Oost-Europese landen meer vrijheid. In 1989 werd de Berlijnse muur afgebroken en werd Duitsland weer één land (1990). In 1991 kwam een eind aan de communistische dictatuur in Rusland. Het land viel uiteen in verschillende onafhankelijke staten, zoals Rusland en Oekraïne. Met de overheersing van Oost-Europa was de Koude Oorlog voorbij. c Nederland Grotere computers en robots waren al sinds de jaren '60 in gebruik in de industrie en dienstensector. Vanaf omstreeks 1990 ontstond in Nederland een informatiesamenleving. In 2000 werkte van de beroepsbevolking 4 procent in de landbouw en visserij, 23 procent in de industrie en nijverheid en 73 procent in de dienstverlening en bij de overheid. Na vier jaar onafhankelijkheidsoorlog met Nederland (1945-1949) werd Indonesië een onafhankelijke staat. Een aantal Indische Nederlanders en Molukkers verhuisden naar Nederland. In 1975 werd Suriname een onafhankelijke staat. Er kwam een groot aantal Surinamers naar Nederland, vanaf de jaren '70 gevolgd door veel Antillianen en Arubanen. In 1951 werd in Nederland voor het eerst een televisieprogramma uitgezonden. In de jaren '60 werd de televisie het belangrijkste informatiekanaal. De televisie was één van de oorzaken van de ontkerkelijking en ontzuiling in die tijd. Na de Tweede Wereldoorlog zorgde de economische groei voor veel werkgelegenheid. Het tekort aan arbeidskrachten werd opgelost met gastarbeiders uit het Middellandse Zeegebied. Vanaf 1960 veranderde de samenleving, doordat er meer kritiek kwam op de idealen en gewoonten van de oudere generatie. Belangrijke begrippen Dekolonisatie = koloniën worden onafhankelijk Politionele actie = Nederlandse militaire actie tegen opstandelingen in Indonesië Proclamatie = uitroepen van de onafhankelijkheid Soevereiniteitsoverdracht = overdragen van het bestuur van een land aan nieuwe machtshebbers Supermacht = zeer grote mogendheid (VS en USSR) Wederopbouw = herstel van de oorlogsschade Atoomoorlog = kernoorlog Berlijnse muur = muur rond West-Berlijn om de inwoners van de DDR tegen te houden Bondsrepubliek Duitsland = 1949, westelijk deel van het vroegere Duitse Rijk, ook wel WestDuitsland genoemd, vanaf 1990 hoort ook Oost-Duitsland (DDR) erbij Containment = Amerikaanse politiek in de Koude Oorlog om het communisme in te dammen DDR = communistische staat in het oostelijk deel van het voormalige Duitse Rijk Koude Oorlog = vijandigheid tussen het oostblok en het westen (1945-1989_

Marshallhulp = Amerikaanse hulp voor de Europese wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog NAVO = militair bondgenootschap van de VS en haar bondgenoten Oostblok = Oost-Europese landen onder leiding van de Sovjetunie Vreedzame coëxistentie = vreedzaam samenleven van het communisme en het kapitalisme Warschaupact = militair bondgenootschap van de Sovjetunie en de Oost-Europese landen Culturele revolutie = gewelddadige poging om in China een einde te maken aan alle ongelijkheid Glasnost = openheid, politiek van Gorbatsjov Nobelprijs voor de vrede = prijs voor personen die bijdragen aan de vrede Ontspanning = vermindering van de spanning in de Koude Oorlog Prestrojka = economische hervorming, politiek van Gorbatsjov EEG = Europese Economische Gemenschap, opgericht in 1957 EGKS = Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, opgericht in 1951 Europese Commissie = dagelijks bestuur van de EEG en later de EU Enclave = gebied dat door andere landen wordt omringd Fundamentalisme = goedsdienstige stroming die oude regels streng toepast Hamas = islamitische Palestijnse verzetsbeweging, bestuurt de Gazastrook en gezien als terroristische organisatie Intifadah = opstand in de Palestijnse gebieden tegen de Israëlische bezetting PLO = Palestijnse verzetsbeweging, bestuurt de Westelijke Jordaanoever en vroeger gezien als terroristische organisatie Terrorisme = geweld gebruken om politieke doelen te bereiken Zionisme = streven naar een joodse staat Babyboom = geboortegolf Rooms-rode coalitie = regering van katholieken en sociaal-democraten (KVP en PvdA) Verzorgingsstaat = staat waarin de overheid zorgt voor de sociaal zwakkeren Actief kiesrecht = het recht om te stemmen B en W = Burgemeester en Wethouders, dagelijks bestuur van de gemeente Commisaris van de Koningin = voorzitter van het bestuur van de provincie Evenredige vertegenwoordiging = kiesstelsel waarin het aantal zetels wordt bepaald door het aantal landelijk uitgebrachte stemmen Gemeenteraad = door de inwoners van de gemeente gekozen gemeentebestuur Ministeriële verantwoordelijkheid = minsters zijn verantwoordelijk voor daden en uitspraken van het staatshoofd Passief kiesrecht = het recht om gekozen te worden Referendum = volksstemming Kraakbeweging = groepen die zonder toestemming leegstaande gebouwen gaan gebruiken Secularisatie = ontkerkelijking Ontzuiling = het verdwijnen van de verzuiling Paars kabinet = regering van sociaal-democraten en liberalen (PvdA en VVD) Seksuele revolutie = verandering vanaf de jaren 60 waarbij mensen vrijer omgingen met seks Asielzoeker = mensen die in een ander land bescherming vragen Assimileren = aanpassen Etniciteit = kenmerken van een volk Integratie = opgaan in de samenleving Repatrianten = mensen die teruggaan naar het land van herkomst

Automatisering = vervanging van mensen door zelfwerkende machines, bv. robots Derde wereld = ontwikkelingslanden Globalisering = steeds meer contacten tussen de werelddelen (mensen, producten, communicatie, vervoer, etc.) Gsm = standaard voor mobiele telefoon, vanaf 1991 (global system for mobile communications) ICT = informatie- en communicatietechnologie, zoals bv computers, satellieten, gsm Kredietcrisis = wereldwijde economische crisis vanaf 2008 Milleniumdoelen = doelen die in 2000 door de VN werden gesteld om te bereiken Etnische zuivering = verjagen en vermoorden van leden van andere volkeren Joegoslavië-tribunaal = VN-gerechtshof in Den Haag voor de berechting van misdaden in de oorlogen in voormalig Joegoslavië vanaf 1991 Monetaire Unie = landen met dezelfrde munt Europese Unie = (EU) organisatie van Europese staten sinds 1991 Ayatollah = hoge sjiitische geestelijke Boerka = kledingstuk dat het lichaam, inclusief hoofd, bedekt Theocratie = land waarin de geestelijken de macht in handen hebben Oorlog tegen terrorisme = door de VS wereldwijd gevoerde strijd tegen het terrorisme (vanaf 2001) Junta = militaire dictatuur Apartheid = wettelijk vastgelegde rassenscheiding in Zuid-Afrika van 1948 tot 1990

View more...

Comments

Copyright � 2017 NANOPDF Inc.
SUPPORT NANOPDF